Hans Remeeus PA1HR

...vanuit de Gelderse Achterhoek

vrijdag
1
aug
Tekst grootte
  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Multiband antennes en antennetuners

Multiband antennes en antennetuners

(stand 25 februari 2011)


Deze pagina beschrijft onder andere enkele eenvoudig zelf te bouwen multibandantennes en tuners voor de kortegolf banden.

Maar ook andere mogelijkheden dan zelfbouw komen aan bod.

Een foto impressie van de DeltaLoop antenne die ik gebruik vindt u hier: DeltaLoop

Een foto impressie van mijn vorige HF-draadantennes vindt u hier: HF-draadantennes


------------------------------


A. Een volledig symmetrisch antennesysteem

Door de jaren heen blijkt een symmetrische antenne, met een symmetrische voedingslijn

en een symmetrische afstemeenheid nog steeds het allerbeste systeem.

Voordelen van dit systeem.

1. De energieoverdracht is optimaal. Het systeem is nagenoeg verliesvrij!

Daardoor is het een zeer efficient en effectief antennesysteem.

2. Afhankelijk van de antennelengte en de mogelijkheden van de ATU (antenne tuning unit) is het systeem afstembaar van 1.5 tot 30 MHz.

Het is dus een zeer flexibel en breedbandig systeem.

3. Door het symmetrisch ontwerp worden LFD (laagfrequent detectie) en TVI (televisie interferentie) zoveel mogelijk voorkomen.

4. De kosten kunnen laag gehouden worden.

5. Geen aarding of tegencapaciteit noodzakelijk.

In principe is bij dit systeem de lengte van de antenne en de lengte van de voedingslijn niet zo belangrijk.

Wij gaan hierbij dan wel uit van een ATU die een behoorlijk groot bereik heeft (geschikt voor impedanties tot 3000 Ohm of hoger)

Een zeer goed werkende ATU, die redelijk eenvoudig zelf te bouwen is, ziet er schematisch als volgt uit:

Aan de linkerzijde ziet u twee manieren om de ATU te koppelen aan de zendontvanger;

met een verstelbare koppelspoel of een variabele condensator.

In de tekening staat een variabele split-stator condensator weergegeven, met in het midden een aansluiting naar aarde.

Dat hoeft niet! De aansluiting naar aarde kan in de meeste gevallen zelfs beter weggelaten of verwijderd/onderbroken worden.

Laat de ATU vooral zelf het midden zoeken; dat is nu juist zo mooi met een symmetrische ATU!

Zo'n aansluiting naar aarde heeft eigenlijk alleen zin, wanneer de ATU verbonden is met een echte HF-aarde.

Maar met een volledig symmetrisch antenne systeem willen we daar liever geen gebruik van maken.

En in plaats van de wat moeilijker verkrijgbare split-stator kan ook een enkelvoudige variabele condensator heel goed dienst doen.

Een zeer geschikte antennelengte voor nagenoeg alle kortegolf amateurbanden is bijvoorbeeld 2 x 20 meter.

U kunt de onderstaande tabel aanhouden bij het vaststellen van de lengte van de antenne:

(Bron: Practical Wire Antennas; John D. Heys G3BDQ)

Goede symmetrische voedingslijn heeft een impendantie van tussen de 300 en 600 Ohm.

Dit kunt u zelf maken of kopen (bijvoorbeeld US Wireman CQ-552 met een impendantie van 450 Ohm).

Zelf maken met hetzelfde draad als waar u de antenne van gemaakt heeft (dus zonder overgangen!) is zeker aan te bevelen.

Als spreiders kunt u Ubbink snelclips gebruiken (fabrikaat Amevo B.V. in Alkmaar),

welke bedoeld zijn om bomen en struiken aan spandraad vast te zetten.

Deze snelclips zijn te koop bij de Intratuin voor 1,79 euro per 15 stuks.

Zeer goede symmetrische ATU's die men vroeger kon kopen zijn die van Annecke en Johnson Viking.

Met wat geluk vindt u ze nog op de tweedehands markt.

Palstar levert momenteel een echte symmetrische ATU (de AT-1500 Bal).

Zelfbouwen is echter goedkoper en geeft veel voldoening.

Hieronder op de foto aan de linkerzijde de symmetrische paralleltuner van Johnson Viking,

welke geschikt is voor vermogens tot ongeveer 500 Watt.

Aan de rechterzijde de symmetrische tuner van Annecke;

deze tuner werkt volgens 'dubbel-T filter' principe en is geschikt voor vermogens tot ongeveer 1000 Watt.



Het schema van de Annecke Symmetrischer Kurzwellen-Antennen-Koppler

fur Endstufen hoher Leistung (zoals de antennetuner officieel heet) is als volgt:

De vier spoelen bestaan ieder uit elf wikkelingen.

De split-stator variable afstemcondensator heeft een waarde van 2 x 220 pF bij 4,2 kV.

C1, C2, C3 = 100 pF

Voor een foto impressie van deze tuner klik op: Annecke


Frits PA0FRI maakte het volgende overzicht van verschillende categorien symmetrische antennetuners:

Vrijwel alle tuners zijn vergelijkbaar of een afgeleide van de getoonde systemen.

Sommigen hebben meer dan een benaming; dat is afhankelijk van de publicatie, auteur of commerciee aanbieding.

Daarom heeft PA0FRI de namen weggelaten.

De systemen A1, B1 en C1 vergen volgens Frits nogal wat mechanische problemen bij gebruik op meer dan een band.

A3 is het aantrekkelijkst; een multiband systeem met weinig componenten en twee condensatoren zijn gemakkelijker aan elkaar te koppelen dan twee spoelen.

Twee gelijke condensatoren zijn gemakkelijker te verwerven dan twee gelijke rolspoelen.

Omdat de condensatoren feitelijk in serie staan, is een kleinere plaatafstand mogelijk.

Is in B2 een 3kV condensator nodig, dan kan in B3 volstaan worden met 2x1.5kV typen.

Systeem C2 is in gebruik bij PA1HR.

In de loop der jaren heeft PA0FRI bijna alle mogelijke combinaties van spoelen en condensatoren gebouwd,

getest en met elkaar vergeleken in een poging om de "ideale" symmetrische antenne tuner te vinden.

Een van Frits zijn eigen ontwerpen is de S-Match (fig. B4).

Hierover is in Electron en Radcom gepubliceerd.

In literatuur over dit onderwerp valt het PA0FRI op dat tuners op theoretische basis en met vele berekeningen met elkaar vergeleken worden.

Zelden vermeldt de auteur dat hij ook nog proeven heeft gedaan met verschillende antennesytemen of met andere lengtes van de voedingslijn.

Door de beperkende eigenschappen van de te gebruiken onderdelen en de opbouw ervan,

is PA0FRI gebleken dat een praktische vergelijkende test andere resultaten geeft.

Dit onder voorbehoud dat alle tuners met zorg en dezelfde kwaliteitsonderdelen opgebouwd zijn.

PA0FRI vermeldt verder nog het volgende:

- De tuners van een categorie zijn qua rendement aan elkaar gelijk.

- Tuners in een categorie kunnen in rendement verschillen door minimum of maximum waarde van de onderdelen

(PA0FRI verstaat onder onderdelen: condensator, spoel of koppelwikkeling).

- Het gebruiksgemak neemt toe met het aantal onderdelen (meer dan 3).

- Het rendement neemt af met het aantal onderdelen.

- Als een syteem van een lagere categorie optimaal voor een of twee banden gemaakt wordt,

dan kan dat gelijkwaardig worden aan een hoger geplaatst systeem.

- Een goed syteem heeft een verlies van 5-15%. Dat is bij 100 Watt geen probleem.

Met 1.5 kiloWatt wordt echter 75 tot 225 Watt aan warmte in de tuner omgezet (straalkachel effect!).

- Het tegenstation merkt nauwelijks iets van 5-15% meer of minder vermogen.

- De koppelwindingen in B1, C1, C4 en D3 verstoren de symmetrie, eigenlijk moet er een balun bij zoals in A1.

- De koppelwikkelingen van een balun geven bijna geen verlies vanwege de sterke koppeling met de andere windingen.

- Baluns van allerlei overzetverhoudingen zijn toepasbaar.

Voor een "universele" tuner adviseert PA0FRI een 1:1 balun.

- Met een symmetrisch antennesyteem veroorzaakt u minder storing, ook bij uzelf.

- Een antenne van 2x10 meter is al goed voor de 10 t/m 80 meterband.

Een langere antenne is nog beter, vooral voor gebruik op de 80 meterband.

- Een open lijn van 100 meter geeft minder verlies dan een coaxkabel van 10 meter!

- Een tuner straalt net zo als een magnetische loop, monteer hem daarom in een metalen kast.

------------------------------

B. Een 1:4 transformator en een aanpaseenheid, in plaats van een symmetrische afstemeenheid

In plaats van een symmetrische afstemeenheid kan ook gekozen worden voor een alternatief.

Dit is vooral interessant bij moderne zendontvangers met een ingebouwde ATU.

Het einde van de symmetrische voedingslijn wordt daarbij verbonden aan een 1:4 transformator.

Deze kan men eenvoudig zelf maken met behulp van een bifilair gewikkelde Amidon T200-2 ringkern.

Daartoe neemt men twee geemailleerde koperdraden met een diameter van 1,5 of 2 mm.

Deze wikkelt men minimaal 10 maal om de ringkern heen; de twee draden goed bij elkaar houden tijdens het wikkelen!

De vier draden sluit men aan volgens het onderstaande schema:

Hierbij is het belangrijk dat men een zo laagohmig systeem gebruikt.

Uw zendontvanger wil graag 50 Ohm "zien", waardoor hij zijn vermogen optimaal kan afgeven aan het antennesysteem.

Met behulp van een ingebouwde of externe a-symmetrische aanpaseenheid kunnen wij ervoor zorgen dat misaanpassingen voorkomen kunnen worden.

Echter; zo'n aanpaseenheid is lang niet zo breedbandig als een symmetrische afstemeenheid.

De meeste aanpaseenheden (met name de ingebouwde) hebben een bereik van tussen de 15 en de 150 Ohm.

Een goede (meestal externe) aanpaseenheid gaat vermoedelijk tot 250 Ohm.

De volgende tabel geeft aan dat de lengte L

(de helft van de open dipool samen met de lengte van de symmetrische voedingslijn) bepalend is voor de impedantie.

(bron: HF antennas for all locations; L.A. Moxon G6XN)

De vakken links van de lijn geven een capacitieve impedantie aan en de vakken rechts een inductieve impedantie.

De gearceerde vakken geven een hoge impedantie aan en de open vakken een lage impedantie.

Een gemiddelde impedantie is belangrijk; dus niet te hoog, maar ook niet te laag.

Stel; u wilt een antenne zelfbouwen die geschikt is voor meerdere HF-frequenties,

bijvoorbeeld 3.5, 7, 14, 21 en 28 MHz en uw plaatsingsmogelijkheden zijn beperkt.

Voor het gemak gaan wij dan uit van een open dipool met een lengte van 2 x 10 meter.

Ons doel is om aan het einde van de voedingslijn een gemiddelde impedantie te bereiken.

De 1:4 transformator zorgt er daarna voor dat de impedantie van bijvoorbeeld 450 Ohm naar ruim 100 Ohm wordt getransformeerd,

waarna de aanpaseenheid (in- of extern) de 100 Ohm zal kunnen omzetten naar 50 Ohm.

Wanneer u een open dipool gebruikt van 2 x 10 meter, dan zal deze laagohmig zijn voor 7 MHz maar hoogohmig voor 3.5 en 28 MHz.

Door nu een aangepaste lengte van de symmetrische voedingslijn te gebruiken ontstaat toch een laagohmig systeem.

De rechter lijn van de tabel geeft dus de totale lengte aan van een helft van de open dipool en de voedingslijn.

10 meter is ongeveer 30 feet. Schuif een liniaal over 3.5, 7, 14, 21 en 28 MHz

en zorg ervoor dat u tussen de witte en de gearceerde vlakken aan de linker zijde blijft.

U zult zien dat dit het geval is bij ongeveer 90 feet (27,5 meter).

Bij een antennehelft van 33 feet (10 meter) heeft u dus 57 feet (17,5 meter) symmetrische voedingslijn nodig.

Overtollig voedingslijn kunt u op een willekeurige manier in uw shack wegwerken.

Niet oprollen!, maar in een willekeurige vorm op de grond leggen of op een andere manier opbergen of ophangen.

De lengte van de voedingslijn (in het boven beschreven geval dus 17,5 meter) kunt u experimenteel vast stellen.

Begin bijvoorbeeld met 19 meter.

Probeer op de frequentiebanden aanpassing te verkrijgen en wanneer dat niet lukt,

dan knipt u ongeveer 10 centimeter van de voedingslijn af.

Net zolang doorgaan totdat u wel aanpassing verkrijgt.

De volgende tabel geeft aan welke lengtes u dient te vermijden.

Ook hiervoor geldt de helft van de open dipool samen met de lengte van de symmetrische voedingslijn!

(Bron: Practical Wire Antennas; John D. Heys G3BDQ)


Het uiteinde van de voedingslijn verbindt u aan de 1:4 transformator

en die met een kort stuk coaxkabel aan de ATU. Hiermee zijn zeer goede resultaten te behalen.


------------------------------

C. Een 1:4 transformator en coaxkabel, in plaats van een symmetrische voedingslijn en een symmetrische afstemeenheid

Een andere mogelijkheid is een 1:4 transformator direct onder de antenne.

Een goed voorbeeld daarvan is de Palstar 1:4 balun geschikt voor 4 kiloWatt:

Deze balun kost 90 dollar.

Seb PA0LB van Teletrix Nederland in Terneuzen verkocht soortgelijke HF-transformatoren in verschillende uitvoeringen, maar is helaas gestopt met de productie.

Uiteraard is zelfbouw ook heel goed mogelijk.

Voordeel van deze constructie is dat er gebruik gemaakt kan worden van een coaxkabel tussen de 1:4 transformator en de ATU.

Let er wel op dat u zo verliesarm mogelijk coaxkabel gebruikt!

Houd er rekening mee dat er altijd wat verliezen op kunnen treden bij het gebruik van een transformator

met een of meerdere ringkernen en het gebruik van coaxkabel.

Dit in tegenstelling tot een volledig symmetrische antenne systeem (symmetrische voedingskabel en symmetrische ATU); dit is nagenoeg verliesvrij.


------------------------------


D. De G5RV antenne

De G5RV antenne kan in verschillende lengtes uitgevoerd worden.

Hieronder vindt u een overzicht van de toegepaste antennelengte met daarachter het frequentiebereik.

2 x 31 meter: 1,8 tot 30 MHz

2 x 15,50 meter: 3,5 tot 30 MHz

2 x 7,75 meter: 7 tot 30 MHz

2 x 3,70 meter: 14 tot 30 MHz

Louis Varney, G5RV heeft in juli 1984 in de Radio Communication een artikel geschreven over zijn G5RV multiband antenne.

Een scan van dit artikel vindt u hier: G5RV

G5RV schreef in oktober 1985 in de Radio Communication een artikel over de 'Improved Z-Match ASTU'.

Een scan van dit artikel vindt u hier: Improved Z-Match

G5RV heeft in augustus 1983 in de Radio Communication een artikel geschreven over de enkele antennetuners.

Een scan van dit artikel vindt u hier: ATU of ASTU

------------------------------


E. De T2FD (terminated tilted folded dipole) antenne

Frits PA0FRI maakte de volgende tekeningen van de T2FD:

Oorspronkelijk is de T2FD bedoeld als ontvangstantenne,

maar in de zestiger jaren werd hij ook ingevoerd voor militaire zendinstallaties.

Tegenwoordig wordt de T2FD veel toegepast op vaste stations van hulporganisaties zoals VN, UNHCR, Rode Kruis, artsen zonder grenzen enz.

Het is een niet resonante gevouwen dipool, afgesloten met een reflectievrije weerstand.

Er ontstaan lopende golven waarvan een gedeelte wordt geabsorbeerd door de weerstand.

Een en ander resulteert in een breedbandeffect.

Alle genoemde eigenschappen waren aantrekkelijk voor de militairen.

Voeding kan met open lijn, maar dat komt in de praktijk bij die organisties niet voor.

Het aantrekkelijke is dat eenmaal opgehangen, de antenne over een zeer breed gebied meteen gebruikt kan worden.

Omdat de SWR niet hoger is dan ongeveer 3, vindt afstemming plaats via een HF trafo (balun) en automatische antenne tuner.

Frits PA0FRI heeft diverse proeven met T2FD gedaan (zie de tekeningen) en het bleek al snel dat het niet zo'n perfecte straler is voor zendamateurs.

De SWR varieert nogal over het bereik.

Er zijn punten waar dat laag is, maar elders ook behoorlijk hoog.

Met een buizenzender is dat nog wel op te vangen, maar met een moderne transceiver is echt een tuner nodig.

Er wordt in de publicaties beweerd dat de weerstand geschikt moet zijn voor eenderde van het zendvermogen.

Bij PA0FRI zijn diverse weerstanden door oververhitting van waarde veranderd.

Het rendement van de antenne in het lage gebied is dan ook lager dan van een full-size dipool.

Frits schat dat het ongeveer een S-punt scheelt ten nadele van T2FD.

De ervaring van PA0FRI is dat een open dipool van dezelfde spanwijdte met voedingslijn en tuner en op dezelfde plek, het beter doet.

Als een dipool gevoed wordt volgens de onderste tekening gaat het nog beter.

Sowieso is het belangrijk om de T2FD antenne schuin te monteren, in een hoek van tussen de 20 en 40 graden.

Dit is met name belangrijk voor het stralingspatroom van de antenne.

Zie ook http://en.wikipedia.org/wiki/T2FD_Antenna

Er zijn voor zover hij weet twee recente publicaties van een Amerikaanse en Engelse universiteit.

De wetenschappers waren ook niet zo enthousiast over een T2FD.

Het gewicht van de weerstand kan omlaag door op die plek een balun te plaatsen,

die de waarde omlaag transformeert naar 50 Ohm.

Via een kabel kan een geschikte dummy load het vermogen opvangen.

Met een combiner kan het zendvermogen, en het vermogen dat in de dummy load komt,

samengevoegd en naar de straler gevoerd worden zodat niet alles verloren gaat


------------------------------


F. Praktische tips


Bij de constructie van een antennesysteem kunt u de volgende raadgevingen en waarschuwingen opvolgen:

- Zorg ervoor dat uw antennesysteem niet binnen bereik is van kinderen en volwassenen die niet ter zake kundig zijn.

- Verbindingen, onder andere tussen antenne en voedingslijn nooit solderen, maar altijd roestvrije klemverbindingen gebruiken!

Bij soldeerverbindingen, die blootgesteld worden aan weersomstandigheden, kan diodewerking optreden.

Diodewerking kan LFD en ongewenste harmonischen veroorzaken.

- Gebruik geisoleerd antennedraad en voedingslijn.

- Als bliksembeveiliging voor open voedingslijn kan het volgende gebruikt worden; klik op Beveiliging voor een aantal foto's.


------------------------------


G. Het wikkelen van ringkernen voor 4:1 en 1:1 baluns

U ziet dat hier gesproken wordt over een 4:1 balun, terwijl wij het in de voorafgaande tekst spreken over een 1:4 balun.

Dat ligt eraan van welke kant men het bekijkt; vanaf het antennesysteem of vanuit de zendontvanger.

Wanneer u het vanuit de zendontvanger bekijkt (van 50 Ohm transformeren naar 200 Ohm), dan spreekt men over een 1:4 balun.

 

Wanneer gebruikt u welke balun?

Dat is helemaal afhankelijk van de frequentieband waarop u wilt uitzenden en van het toegepaste antennesysteem.

En ook waar u de balun voor wilt gebruiken; bijvoorbeeld als transformator van een a-symmetrische aansluiting

van de zendontvanger naar een symmetrisch antennesysteem of als impedantie transformator

van een hoogohmig antennesysteem naar de laagohmige aansluiting van de zendontvanger of naar 50 Ohm (a-symmetrisch) coaxkabel.

Stel dat u een draadantenne gebruikt van ongeveer 2 x 20 meter met een onbepaalde lengte open voedingslijn.

Deze antenne zal zich laagohmig gedragen (hij heeft dus een lage impedantie) op de 80 meter band.

In dit geval is het gebruik van een 1:1 balun aan te raden.

Want u wilt in dit geval alleen maar transformeren van een a-symmetrische zenderuitgang naar een symmetrisch antennesysteem (open voedingslijn en dipool antenne).

Deze verhouding wordt ook toegepast wanneer u een symmetrische antennetuner wilt aanpassen op een a-symmetrische aansluiting van de zendontvanger.

Dezelfde antenne van 2 x 20 meter zal zich op de 40 meter band echter hoogohmig gedragen.

In dat geval wilt u niet alleen transformeren van a-symmetrie naar symmetrie,

maar ook transformeren van een hoge impedantie (ongeveer 200 Ohm) van het antennesysteem naar een lage impedantie (50 Ohm) van de zendontvanger.

Hiervoor heeft u een balun nodig met een transformatieverhouding van 4:1

Uiteraard kan het voorkomen dat de antenne van 2 x 20 meter op bepaalde frequentiebanden hoogohmiger is dan 200 Ohm.

In zo'n geval is het aan te raden om een balun te maken die een verhouding heeft van 6:1, 9:1 of zelfs 12:1. Zoiets kunt u experimenteel vaststellen.

In de praktijk blijkt een 4:1 balun voldoende om een goede aanpassing te verkrijgen op de door ons gebruikte HF-frequentiebanden.

Een 4:1 balun is dus redelijk universeel toe te passen.

Een heel goed idee is om bijvoorbeeld in 1 behuizing 3 baluns te monteren;

een balun met een verhouding van 1:1, een balun van 4:1 en bijvoorbeeld een balun van 6:1 of 9:1.

U kunt dan drie symmetrische ingangen maken met behulp van chassisdelen voor banaanstekkers

en een a-symmetrische uitgang met behulp van een SO-239 coaxiaal chassisdeel.

Op deze manier heeft u een bijzonder universeel toepasbaar systeem verkregen!

Afhankelijk van de gebruikte frequentieband (en dus afhankelijk van de impedantie) sluit u de antenne aan op een van de drie baluns.

Hieronder vindt u enkele tekeningen en schema's van een 4:1 balun.


Duidelijke tekening van een bifilair gewikkelde 4:1 balun

Â

Principeschema van een bifilair gewikkelde 4:1 balun.


Goed voorbeeld van hoe een (in dit geval bifilaire gewikkelde 4:1) balun in een behuizing gemonteerd kan worden.


Schema en wikkelmethode van een 1:1 en 4:1 spanningsbalun


Hieronder een tabel van enkele typen Amidon ijzerpoeder ringkernen

met het aantal geadviseerde wikkelingen en het maximaal toegestane vermogen,

 

voor een 1:4 balun:

TOROID * AANTAL WIKKELINGEN * VERMOGEN

T80-2 * 25 * 60 Watts

T106-2 * 16 * 100 Watts

T130-2 * 18 * 150 Watts

T157-2 * 16 * 250 Watts

T200-2 * 17 * 400 Watts

T200A-2 * 13 * 400 Watts

T400-2 * 14 * 1000 Watts

Enkele wikkelvoorbeelden van de polulaire Amidon T200-2 ringkern

Â

Voorbeeld van een 1:1 stroombalun (ontwerp: PA0FRI)


Deze methode is geschikt voor een - galvanisch gescheiden - overgang

tussen een symmetrische antennetuner en de a-symmetrische uitgang van een zender.

Hiervoor kan het beste een ferriet ringkern gebruikt worden, zoals een Amidon FT240-61.


Het gebruik van een stroombalun heeft zondermeer de voorkeur!

Nogmaals een schema en de wikkelmethode van een 1:1 stroombalun (links),

met daarnaast een 4:1 impedantietransformator

 

Wanneer een Amidon T200-2 toepassen of een Amidon FT240-61 of FT240-96?

Daar is niet zo snel en simpel antwoord op te geven.

Persoonlijk heb ik een voorkeur voor de FT240-61 of FT240-96,

maar met de T200-2 heb ik ook heel goede praktijkervaringen.

Het voordeel van een ferrietringkern als de FT240-61 of FT240-96 is dat u minder wikkelingen hoeft te gebruiken,

dan met een ijzerpoederringkern als de T200-2.

Bijvoorbeeld voor een 1:4 balun 17 wikkelingen over een T200-2 ringkern is natuurlijk best veel.

Bij een FT240-61 of FT240-96 heeft u ongeveer de helft van de wikkelingen nodig, om toch het gewenste resultaat te bereiken.

Ik zou zeggen: probeer allebei de ringkernen en ervaar welke oplossing in uw specifieke situatie het beste werkt!

 

H. De Loop Skywire

Een buitengewoon goede horizontale antenne is de Loop Skywire!

Deze antenne is in veel gevallen toepasbaar, meer dan u zou vermoeden.

Dus niet alleen wanneer u een weiland beschikbaar heeft, maar ook in de doorsnede achtertuin.

Enkele interessante artikelen over deze antenne vindt u op http://www.remeeus.eu/hamradio/antennes_tuners/skywire.htm

 

I. Een vertikale of een horizontale antenne?

De meeste vertikale HF-antennes hebben een lage opstralingshoek.
Dat maakt ze geschikt voor lange afstandsverkeer,
maar ook gevoelig voor LFD/TVI vanwege eventuele directe instraling.
De meeste horizontale HF-antennes hebben een hogere opstralingshoek.
Dat maakt ze meer geschikt voor korte afstanden, tot ongeveer 500 kilometer.
Er zijn uitzonderingen, zoals de horizontale raamantenne.
Deze antenne heeft een zeer hoge opstralingshoek op de amateurband welke overeenkomt met de golflengte van de antenne.
Op hogere amateurbanden heeft deze antenne een lage opstralingshoek.
Hoe hoger de amateurband, hoe lager de opstralingshoek.
Een vertikale antenne heeft uiteraard zijn beperkingen kwa lengte.
Een kwartgolf voor de 80 meter band wordt al een behoorlijke uitdaging.
Een horizontale halvegolf dipool voor 80 meter is voor veel amateurs haalbaar.
Ik ben zelf niet zo'n voorstander van vertikale antennes. Ze pakken ook veel QRM/QRN op.
Een goede alternatieve antenne is de inverted vee.
Deze heeft goede eigenschappen voor verbindingen op korte afstand zowel als over lange afstanden.

Conclusie:

Voordelen vertikale antennes:
- zeer geschikt voor verbindingen over lange afstanden
- voor de hoge amateurbanden zijn vertikale antennes gemakkelijk te installeren
- zo goed als rondstralend


Nadelen van vertikale antennes:
- nagenoeg ongeschikt voor lokale verbindingen
- grote kans op LFD/TVI door lage opstralingshoek (directe instraling)
- moeilijk toepasbaar voor de lage amateurbanden
- gevoelig voor QRM/QRN
- opvallend voor de omgeving

Voordelen horizontale antennes:
- zeer geschikt voor lokale verbindingen
- minder kans op LFD/TVI door hoge opstralingshoek
- minder gevoelig voor QRM/QRN
- geschikt voor nagenoeg alle amateurbanden
- minder opvallend voor de omgeving

Nadelen van horizontale antennes:
- minder geschikt voor verbindingen over lange afstanden
- afhankelijk van de frequentie richtinggevoelig

 

------------------------------

 

Deze pagina wordt nog verder aangevuld.

Reacties zijn van harte welkom!


 
Banner